Er is een fout opgetreden in dit gadget

dinsdag 17 juli 2012

Onder de appelboom (Rutger Kopland)

Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar.
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom.

ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

en later hoorde ik vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.
Uit: Onder het vee, 1966.

Jonge Sla (Rutger Kopland

 

Jonge sla

Alles kan ik verdragen
het verdorren van de bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september
net geplant, slap nog
In vochtige bedjes, nee.
Uit: Alles op de fiets, 1969.

Weggaan (Rutger Kopland)


Weggaan
Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. Je blijft
iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. Niemand
wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.


Uit: Het orgeltje van yesterday.
© Amsterdam, 2000.

Tijd (Rutger Kopland)

Tijd—het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen

het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd

te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo's van de onbekende diepten in ons hoofd

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd

we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind

zaterdag 12 mei 2012

Aifric Campbells boek 'Stop' & Mineke Schipper 'Overal Adam en Eva' (VPRO boeken 13/5)

Aifric Campbells nieuwste boek Stop gaat over Geri, een succesvolle en ambitieuze vrouw van rond de dertig die bij een grote investeringsbank in de Londense City werkt. Ogenschijnlijk gaat het haar voor de wind, maar schijn bedriegt. Geri voelt zich verloren in een door testosteron gedomineerde wereld. Ze woont alleen met haar hond, is onzeker, twijfelt voortdurend over haar leven en succes en stevent regelrecht op een burn out af. Tot ze hard op de rem trapt.

Campbell weet waarover ze het heeft. In de jaren tachtig werd ze de eerste vrouwelijke floormanager van de (van oorsprong Amerikaanse) investeringsbank Morgan Stanley in het financiële hart van Londen. Ze hield van de intensiteit, ruwheid en veelzijdigheid van het werk. En ze hield van de druk. Ze vond het fijn om one of the boys te zijn in een wereld die te snel is voor vriendelijkheden en praatjes. Dat ze daarbij, als vrouw, permanent met 1-0 achter stond deed haar weinig. Niet dat ze in de eerste instantie per se in de financiële wereld wilde werken; als afgestudeerd taalkundige werd ze geheadhunt als zogenaamd lateral thinker. Het gebeurde destijds veel dat bedrijven die op de beurs handelden mensen zonder graad in de economische wetenschappen in dienst namen. De aanname was dat deze mensen flexibele denkers waren en beter in staat waren om out of the box te denken. Zo kwam Campbell terecht in een wereld die van seconde tot seconde verandert en waar twijfel onherroepelijk tot verlies leidt.

Na de geboorte van haar zoon kwam het jachtige bestaan van Campbell radicaal tot stilstand. Ze raakte in een zware postnatale depressie en verbleef negen maanden in een kliniek om te herstellen. Na deze periode was alles anders; ze had een kind, haar baan was ze kwijt. Aangezien ze altijd al van schrijven en lezen had gehouden, schoolde ze zichzelf om tot schrijfster. Hoewel Stop op het eerste gezicht misschien handig in lijkt te spelen op de focus die momenteel op de financiële wereld ligt begon Campbell jaren geleden al aan het boek. Met als reden omdat het haar intrigeerde dat destijds niemand geïnteresseerd leek in wat bankiers precies deden. Het beroep was in nevelen gehuld, niemand schreef erover. Terwijl er een ruim aanbod aan fictie was over andere beroepsgroepen met grote maatschappelijke impact, zoals de juristerij of het bedrijfsleven. In Stop benadrukt Campbell hoe onaangenaam het werken kàn zijn in een omgeving vol haantjes, waar de externe druk zo hoog is dat de menselijke maat vaak vergeten wordt.

 Emeritus hoogleraar literatuurwetenschap Mineke Schipper schreef Overal Adam en Eva, een boek over de verbeelding van het verhaal van Adam en Eva in de verschillende godsdiensten. Door de eeuwen heen heeft die verbeelding vele incarnaties gekend, maar de kernvraag is dezelfde gebleven; hoe zijn we de volmaaktheid kwijt geraakt? Ze gaat in op vragen waarop bijbel noch koran een antwoord geven; waar lag het paradijs? Was Adam besneden of juist niet? Hadden Adam en Eva een navel?

Er zijn ontelbaar veel verschillende verhalen en interpretaties rondom de legende van Adam en Eva. Het verhaal is eeuwenlang door moslims, joden en christenen gekneed, versterkt en aangevuld. Vele verschillende visies werden er door evenveel vertellers doorheen geweven. Schipper probeert lijn aan te brengen in de vertellingen en probeert verklaringen te vinden. Een van de dingen die ze tracht te verduidelijken is de locatie van het paradijs. In vele lezingen van het verhaal komt het Midden-Oosten als plaats van handeling voor. Men is het daarover echter niet eens. Columbus, bijvoorbeeld, situeert het paradijs ergens aan de Orinoco rivier in Venezuela. Langs die rivier kreeg hij namelijk vruchten van inboorlingen met pratende papegaaien op hun schouders. Aangezien de mensen en de dieren met elkaar konden praten in het paradijs, was Columbus ervan overtuigd dat hij het gevonden had.

Een breed gedragen gemene deler in alle lezingen is in ieder geval de ondergeschikte positie van Eva. Zij komt er al ruim drieduizend jaar bekaaid van af. Vooral in Europese kunst is te zien dat Adam het eerst was, en dat Eva geschapen werd uit een van zijn ribben. Dit geeft een hiërarchie aan, het stelt vast dat Adam het hoofd is en Eva, letterlijk, tweede achter Adam. Voorts is Eva degene die zich liet misleiden, waardoor ze het paradijs moesten verlaten. Daarmee overtrad zij, en niet Adam, Gods gebod. Een van Schippers conclusies in Overal Adam en Eva is dat deze rangorde ooit is aangebracht om een fundamentele ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op te heffen, om een evenwicht te herstellen. Het is volgens Schipper bedoeld om het onrecht dat mannen geen leven kunnen schenken en vrouwen wel te ‘neutraliseren’. Vrouwen kunnen vrouwen én mannen baren, mannen geen van beiden en vroeger wist men niet hoe dat precies kwam. De redenering is dan dat een geslacht dat een dergelijk onrecht is aangedaan, de baas mag zijn.

zondag 22 april 2012

BOEKEN (Vpro) filosoof Jan-Hendrik Bakker over ‘Grond’ & Onderzoeker Rob Bijlsma met ‘Mijn Roofvogels’.

Filosoof en auteur Jan-Hendrik Bakker schreef met Grond een boek met filosofische bespiegelingen over grond en de menselijke beleving daarvan. Hij deelt de lezer mee hoe filosofen, kunstenaars en schrijvers uit het verleden hebben gedacht en geschreven over grond, en geeft ook een eigen oordeel over de huidige stand van de wereld, die volgens Bakker in crisis verkeert.

Grond gaat over aards denken. Over de menselijke beleving van grond. Het boek is ontstaan uit ergernis. Bakker signaleert dat (binnen-)steden steeds meer monoculturen, dus gebieden met één enkele functie, aan het worden zijn. Er kan alleen nog maar gewinkeld of gerecreëerd worden, voor groen of wonen is geen ruimte meer. Ondertussen breidt de woonfunctie van de stad zich steeds meer naar buiten toe uit, daar ook natuur inpikkend. In de steden moet volgens Bakker de grond zo economisch mogelijk vermarkt worden. Stedenbouwkundigen, architecten en bestuurders werken daaraan mee, en verliezen daarbij de menselijke maat en een écht wenselijke indeling van de stad uit het oog. Volgens bakker staat die nuttigheidsvraag een bredere kijk op wonen in de weg.

Filosofen, kunstenaars en schrijvers hebben die bredere blik wel. Die zijn niet bezig met nut, maar met leefbaarheid en menselijkheid, en dat levert heel andere inzichten op. Aan hun opvattingen staaft Bakker het idee dat grond het ankerpunt is van onze verhalen, gebouwen en gewoonten. Van onze levens dus. Aan de hand van, bijvoorbeeld, de uitvinding van het prikkeldraad illustreert hij de impact van gerommel met grond en eigendom op de levens van mensen. Hij stelt daarbij grote vragen over de crisis in de wereld; moet ons voedsel dichter bij de stad verbouwd worden? Hoeveel grond heeft één mens eigenlijk nodig? Hoe kunnen we de bestaande ruimte nuttig en menselijk benutten? En waarom zijn stadsmensen met een volkstuin gelukkiger dan anderen?

 Autodidact roofvogelonderzoeker Rob Bijlsma doet onderzoek waarvoor ‘echte’ biologen geen tijd hebben. Die doen, vooral wegens geldgebrek, alleen maar kortdurend onderzoek. Bijlsma niet. Al meer dan veertig jaar bestudeert hij, eerst op de Veluwe en nu in Drenthe, de gedragingen en ontwikkeling van roofvogels. De wespendief is zijn favoriet. Een ‘heimelijk beest’ dat zich zelden laat zien. Mijn roofvogels gaat over zijn langlopende, intensieve onderzoek. En meer.

Bijlsma woont in een afgelegen boswachterswoning niet ver van het kleine Drentse dorp Wapse. Het is het meest afgelegen boswachtershuis van Nederland. Het dichtstbijzijnde dorp van enig formaat, Diever, is twintig minuten fietsen. Verder van de beschaving kan je bijna niet wonen in Nederland. Zijn onderzoeksgebied beslaat 45 vierkante kilometer Drentse natuur. In dat gebied bestudeert hij de ontwikkeling en het opgroeien van roofvogels. Hij klimt in bomen, bestudeert nesten, zit soms dagenlang op de grond. Hij kent de dieren en sommigen kennen hem ook. Zo wordt hij soms vroeg in de ochtend bij zijn huis opgewacht door een raaf, die van alle miljoenen mensen die jaarlijks door het natuurgebied passeren alleen Bijlsma herkent.

Op tienjarige leeftijd begon de auteur met het bestuderen van (roof-)vogels. Hij keek naar de dieren en legde hun gedrag vast in schriftjes; wanneer ze aanvlogen, wat ze aten, wat ze hun jongen voerden, alles. Ecoloog Luuk Tinbergen was van grote invloed. Hij bestudeerde het gedrag van sperwers die koolmezen opaten en promoveerde daarop. Bijlsma leerde middels zijn proefschrift dat er vragen beantwoord kunnen worden door veldwerk te doen en dacht ‘dat kan ik ook’. Inmiddels heeft de onderzoeker honderden publicaties op zijn naam staan en staat hij, ondanks het feit dat hij geen wetenschappelijke opleiding genoten heeft, te boek als een groot bioloog. Mijn roofvogels gaat over dat onderzoek, en over de bredere impact van onder ander een veranderende omgeving, milieuregels en leefgebieden.

Daily Calendar